| Hazen en wilde konijnen |
|
|
|
|
Een andere tak van sport is de opvang van hazen en wilde konijnen. Het grootste verschil is dat het wilde dieren zijn en ook moeten blijven om succesvol uitgezet te kunnen worden. Gedurende de hele opvoedperiode moet er steeds rekening mee gehouden worden dat het wilde dieren zijn, die na de opvoeding schrikachtig, achterdochtig en bang moeten zijn, ook voor de mensen die hen grootbrengen. De opvang van deze beschermde dieren gebeurd geheel onder toezicht van een vergunninghouder, die later ook de keuze maakt van de plaats waar de dieren verantwoord uitgezet kunnen worden.
De eerste horde die genomen moet worden is het zorgen dat de kleine haas of het wilde konijntje went aan een ‘nieuwe moeder’. Een moeder, die niet ruikt naar konijn of haas en er ook al niet op lijkt, maar wel speciaal samengestelde melk geeft. Is deze stap eenmaal genomen, dan gaan de volgende paar weken meestal wat makkelijker. Er wordt steeds meer melk gedronken en de jongen groeien hierdoor flink. De volgende grote stap is het afbouwen van de melk en het aanvoeren van voldoende geschikt groenvoer in de vorm van het goede onkruid, ze eten niet alles en sommige soorten worden eerder gegeten en andere soorten eten ze pas als ze wat ouder zijn. Het moeilijkste punt voor de surrogaatmoeder is het stoppen van het geven van melk bij een bepaalde hoeveelheid. De natuurlijke moeder nadoen in het beginnen van afstoten van de jongen gaat tegen het gevoel van de hulpmoeder in, maar is wel erg belangrijk voor de verdere ontwikkeling van de haasjes of konijntjes.
Na verloop van tijd is de melk helemaal verleden tijd en bij het goede gewicht wordt er met de vergunninghouder een afspraak gemaakt om de kleintjes weer in het wild uit te zetten. Deze vergunninghouder is goed op de hoogte van de natuurlijke omgeving van de dieren en weet precies waar ze wel en waar ze niet terecht kunnen.
Tijdens het uitzetten van de dieren worden ze gemerkt met een kleur, zodat ze de eerste 5 maanden herkenbaar blijven en goed geobserveerd kunnen worden. Hierdoor weten we dat de door de knaagdierenopvang opgevoede hazen en wilde konijnen een overlevingskans hebben van rond de 70% tot aan het tweede levensjaar. Dit is zelfs meer dan de 40% kans die een jong haasje heeft als hij of zij door haar eigen hazenmoeder opgevoed wordt. |
| < Vorige | Volgende > |
|---|



